Bank, bewijs en privacy

14.05.2018

Stel: u bent slachtoffer van fraude en om uw geld terug te krijgen heeft u gegevens nodig van de rekeningen, waarop u uw geld heeft overgemaakt en de rekeningen, waarnaar uw geld is doorgesluisd. Moet een bank u dan helpen?

Antwoord: als de fraude voldoende duidelijk is, in principe wel. Neem het volgende, aan een recente uitspraak ontleende, geval: u heeft zich laten verleiden om € 600.000 over te maken op een rekening van fraudeurs. U wilde uw aannemer betalen, maar u had een telefoontje gekregen dat het geld naar een andere rekening moest. U was echter zorgvuldig en vroeg om een schriftelijke bevestiging. Die kreeg u. En toen betaalde u. Maar ja, toch erin getuind.

Jammer, geld weg. Niet helemaal gelukkig. U kreeg heel snel een telefoontje van de bank. De bank vertrouwde het niet. De rekeninghouder had razendsnel een deel van het geld weggesluisd naar andere rekeningen. Verdacht betalingsgedrag. En dat wordt door banken gemonitord.

De bank kon het grootste deel van het geld nog blokkeren, maar u was toch een deel van uw geld kwijt. En dat geld wilde u graag terug. Dus u vroeg uw bank wie de rekeninghouder was van de rekening waarop u het geld had overgemaakt. En wie de rekeninghouders waren van de rekeningen waarop het geld was overgemaakt.

En toen ging de bank “moeilijk” doen. De bank beriep zich op haar geheimhoudingsplicht. Een bank mag immers niet zomaar privacygevoelige gegevens aan derden afstaan.

Volgende logische stap: naar de rechter. Een kort geding natuurlijk, want u had veel haast. Elke dag zou uw geld immers verder uit beeld kunnen verdwijnen.

Zie vervolgens de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 28 maart 2018. Een zaak tussen Toyota en ING Bank. Toyota beriep zich op art. 843a van het wetboek van rechtsvordering: iemand die daarbij een rechtmatig belang heeft, kan inzage vorderen in gegevens van een ander, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.

Wat vond de rechter ervan? Het “rechtmatig belang” was geen probleem. De fraude was voldoende aangetoond. Maar de bank voerde haar geheimhoudingsplicht aan als gewichtige reden om geen inzage te hoeven geven. Dat lag wat complexer natuurlijk. Vooral ook tegenover de houders van de rekeningen, waarnaar het geld was doorgesluisd. Het was weliswaar aannemelijk dat die in het complot zaten, maar geen vaststaand gegeven. Mocht de bank dan toch deze zeer privacygevoelige informatie doorgeven?

De rechter stapte daar echter toch vrij eenvoudig overheen: de fraude was voldoende reëel. Als op enig moment alsnog zou blijken dat er misschien toch sprake was van rechtmatige doorbetalingen, zou eventueel verder overleg plaats moeten vinden.

Toyota kreeg dus helemaal haar zin. En de bank vond dat misschien ook helemaal niet erg, maar wilde zich indekken tegen claims van de fraudeurs over schending van geheimhoudingsplicht. Nu kan zij zich achter het vonnis van de rechter verschuilen.

Wat zijn de lessen?

Les 1: in geval van fraude altijd razendsnel handelen. Aangifte doen bij politie, contact opnemen met bank.

Les 2: een bank moet, als fraude voldoende aannemelijk is, meewerken aan het verstrekken van gegevens van betrokken rekeninghouders. Zij mag zich niet zomaar verschuilen achter haar geheimhoudingsplicht en privacybescherming.

Les 3, vooral ook voor een bank: als een bank ten onrechte weigert de gegevens meteen te verstrekken en de bal te makkelijk neerlegt bij de rechter, kunt u de bank aansprakelijk stellen voor uw schade, als u kunt bewijzen dat u uw geld niet terug hebt kunnen krijgen omdat de bank te lang getreuzeld heeft. Het leveren van dat bewijs zal best lastig zijn, maar dat is weer een ander verhaal….

 

Wij adviseren u desgewenst graag verder.